Nog vóór de drempel van de puberteit probeert het kind grenzente verkennen, nieuwe mogelijkheden te onderzoeken, zich los te maken vande autoriteit, eigen wegen te zoeken. Als antwoord hierop houdt de klassenleraarweliswaar in de aanpak de warmte en geborgenheid van de onderbouw vast, maarin de lesstof worden de grenzen grondig verlegd.
In alle lessen worden de deuren en ramen naar de wereld open gezet. Centraalmotief zijn de ontdekkingsreizen. Ze vormen de lesstof van een belangrijke periodegeschiedenis. Maar de wereld verkennen en trachten je eigen boot te sturen, kompasgebruiken en de juiste koers kunnen uitzetten is ook in figuurlijke zin belangrijkop deze leeftijd. In een tweede geschiedenisperiode herhaalt het motief zich:tijdens de Renaissance werden de oude geloofsartikelen kritisch bezien, zonderpardon overboord gezet en door de ontluikende natuurwetenschap vervangen. Inde wiskunde wordt het domein uitgebreid naar de negatieve getallen.
In de wintertijd van de zevende klas neemt de klassenleraar op een avond de kinderenmee naar een donker plekje. Dan “ontdekken” ze weer een nieuwe wereld:die van de sterren. In de rijke leerstof van de astronomie worden de revolutionaireinzichten van Galileï en zijn tijdgenoten tot de modernste ruimtevaarttechniekenbehandeld.
Ook in het innerlijk van de mens worden stapje voor stapje werelden ontdekt.Biografieën van grote wereldburgers worden tot in detail verteld en besproken.Normen en waarden, innerlijke strijd en ontwikkeling worden door de klas gewikten gewogen. Zulke vragen spelen ook bij de periode voeding een grote rol: hoeeet je ‘gewoon’?, wat heb je over voor biologische voeding?, welkelandbouwvormen zijn eigenlijk duurzaam? Concrete feiten vormen bij alle periodesde basis. Van ervaringen wordt heel voorzichtig soms een abstractie gemaakt.Dat proces wordt geïntensiveerd in de achtste klas.