Tiende klas: 15–16 jaar

De binnenwereld van de jongere wordt ruimer. Binnen- en buitenwereld raken meer op elkaar afgestemd. Enige nuancering van de extremen wordt mogelijk. Er komt weer kleur in het tekenwerk.

Tijdens de poëzie-periode worden gedichten gemaakt. In de natuurwetenschappelijke vakken wordt de stap gemaakt van het waarnemen van de verschijnselen naar de wetmatigheden daarvan. In de maatschappijvakken en aardrijkskunde wordt aandacht besteed aan processen en de wisselwerking van verschijnselen. Bij geschiedenis wordt genuanceerd gekeken naar de oud-Indische, de Babylonische en Egyptische cultuurperioden en vanuit de literatuurgeschiedenis naar de Middeleeuwen.

NEDERLANDS
Het genre van de poëzie biedt de mogelijkheid om gevoelens en gedachten, die diepte en intensiteit gekrijgen hebben, te uiten; begrippen, versanalyse én zelf gedichten schrijven krijgen de volle aandacht. Deze periode hoort ook bij het vak kunstgeschiedenis.

De literatuurgeschiedenis van de Middeleeuwen met zijn tegenstelling tussen de oudere voorhoofse heldenverhalen en de individuele hoofse thematiek wordt uitgebreid behandeld.

De boekversliggen komen op niveau dankzij een cursus verhaalbegrippen. Aandacht voor de periode 1880-1920, met een accent op L. Couperus.

ENGELS
Met literatuur wordt de nadruk gelegd op de ‘Romantic Period’( 1789-1840). Kennis van grammatica en idioom worden uitgebreid. Luister- en spreekvaardigheidsoefeningen. Er wordt een spreekbeurt gehouden en een boekverslag gemaakt.

DUITS
De modale werkwoorden staan centraal. De grammatica die in de afgelopen jaren geleerd werd, dient verder geoefend te worden en zelfstandig gecorrigeerd te worden. Korte verhalen worden gelezen en beluisterd, en vragen over de inhouden dienen schriftelijk beantwoord te worden. Correspondentie wordt geoefend. Zelfstandig worden er boeken gelezen en via een spreekbeurt gepresenteerd. Elementaire gespreksvaardigheden worden getoetst in een mondeling examen.

FRANS - Achtste, negende en tiende klas
In deze drie klassen ligt de nadruk op tekstbegrip, uitspraak en spreekvaardigheid. De stem, uitspraak en intonatie van de docent bleef van belang, de keuze van teksten moet de leerling inspireren. De teksten worden nog gedeeltelijk letterlijk vertaald.

Als leidraad wordt de methode ‘Franconville H/V’ gebruikt. Grammatica en vocabulaire worden gestructureerd aangebieden, de oefeningen maakten een grote variëteit aan werkvormen mogelijk. Eind tiende klas worden toetsen schrijfvaardigheid en luistervaardigheid afgenomen.

AARDRIJKSKUNDE
Natuurkundige aardrijkskunde. De kennis van de hydrosfeer en de atmosfeer van de aarde: zeestromingen, luchtlagen, de beschermende en onderhoudende functies van de atmosfeer, de dagelijkse weersverschijnselen. Het gaat er bij dit alles om de aarde te kunnen ervaren als een organisme.

In de profiellessen wordt afhankelijk van het examenprogramma een keuze gemaakt uit de modules: 

- Bevolkingsgeografie
- Arm en rijk
- Migratie en de multiculturele samenleving
- Ruimtelijke inrichting
- Transport en infrastructuur

GESCHIEDENIS
Het doel van het vak geschiedenis is het bijbrengen van historisch bewustzijn door het bestuderen van de wereldgeschiedenis, zodat de samenleving in de eigen tijd beter begrepen kan worden. Door middel van de lesstof worden vaardigheden, inzicht en een zelfstandig oordeel ontwikkeld. Een belangrijk uitgangspunt is het gegeven dat ieder kind een ontwikkeling doormaakt die parallellen vertoont met de mensheidsontwikkeling. In de keuze van onderwerpen trachten wij bij de ontwikkelingsfase van de leerlingen aan te sluiten. Zo komen in de verschillende perioden de volgende thema's aan de orde.

Prehistorie en oude, voorchristelijke, beschavingen zoals die van India, Iran, Mesopotamië t/m de ondergang van de Griekse vrijheid, waarbij het veranderd menselijk bewustzijn als afspiegeling van de geestelijke realiteit centraal staat.

KUNSTGESCHIEDENIS
Het vakkenaanbod is altijd rijk geweest aan kunstzinnige vakken. Het totale aanbod aan kunstzinnige vakken wordt bij ons vanouds gevolgd door alle leerlingen van alle leerroutes. Sommige onderdelen vormen nu het vak CKV (Cultureel Kunstzinnige Vorming, zie hieronder).

Vanuit de poëzie wordt de poëtica behandeld (zie Nederlands).

CULTUREEL-KUNSTZINNIGE VORMING
CKV-l omvat het bezoeken van culturele manifestaties en het maken van versliggen daarover. In een ‘kunst-autobiografie’ wordt de ontwikkeling van de eigen culturele smaak beschreven.

CKV-2 is een examenvak voor de leerlingen van het profiel Cultuur en Maatschappij vanaf de elfde klas: zie kunstgeschiedenis. De periodes kunstgeschiedenis (zie hierboven) en Middeleeuwen vormen een goede basis voor dit vak, evenals de actieve beoefening van zang en toneel.

CKV-3 is examenrelevant voor de leerlingen van het profiel Cultuur en Maatschappij: ze hebben extra kunstzinnige uren voor vrij kunstzinnig werk en leggen het proces dat daarbij wordt doorlopen vast. Daarnaast doen alle leerlingen CKV-3 ‘drama’: zie toneel.

ECONOMIE
Twee domeinen komen uitgebreid aan de orde. De economische rol van de overheid: belastingen, collectieve goederen, quasi-collectieve goederen, merit-goederen, inkomenspolitiek, sociale zekerheid en macro-economische sturing. De rol van de overheid staat niet vast maar is de uitkomst van politieke voorkeuren en besluitvorming.

Het andere domein is de internationale economie: internationale handel en arbeidsverdeling, de relatie tussen handel en wisselkoersen, de problematiek van de ontwikkelingslanden en de economische betekenis van de Europese Unie. Het is een arena waarin verschillende belangen en visies onderling strijden en eventueel tot overeenstemming komen.

In de profiellessen wordt de basisvorming herhaald en goeddeels afgerond en de domeinen ‘overheid’ en ‘internationale economie’ worden uitgebreid. 

MAATSCHAPPIJLEER
Mens en werk: functies van arbeid, betaalde en onbetaalde arbeid, de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid. Criminaliteit, strafrecht en media, met o.a. “krant in de klas”, waarbij gezamenlijk kranten worden gelezen en de maatschappelijke relevantie van krantenartikelen wordt besproken. Het zelfstandig oordeelsvermogen wordt ook ontwikkeld door middel van groepsgesprekken, artikelen, bedrijfsbezoeken, interviews en werkstukken. Uit het economische, het politiek–sociale en het geestelijk–culturele leven worden verschillende thema’s behandeld.

WISKUNDE
Alle leerlingen volgen het wiskunde-onderwijs. De leerstof wordt in de eerste plaats gedacht als mogelijk ontwikkelingsmiddel, aangepast aan de levensfasen van de leerling.

Functies en grafieken (o.a. lineaire, kwadratische en lineair gebroken functies). Rijen (o.a. rekenkundige en meetkundige rijen en logaritmen met toepassingen). Ruimtemeetkunde: bepalen van doorsnijdingen van vlakken en lijnen, vlakken en lichamen. Oppervlak en inhoud van ruimtelichamen.

Landmeten: in een werkweek is de theoretische goniometrie verbonden met hoeken, hoogtes en afstanden die met precisie-instrumenten worden opgemeten. De meetgegevens worden eerst mathematisch verwerkt en daarna in een kaart van het terrein omgezet.

NATUURKUNDE
Tot en met de zesde klas wordt gestreefd naar een steeds completer begrip van de meer alledaagse techniek voor zover die gebaseerd is op principes van mechanica, hydrostatica, luchtdruk, warmte en elektriciteit. Uitgangspunt hierbij is het begrip van de dingen om ons heen. De natuurkundige inhoud is dus meer kwalitatief van aard, dan kwantitatief.

Vooral de bewegingswetten uit de mechanica worden onderzocht. Formules worden afgeleid en bewegingen in grafieken verwerkt. Eenparig (versnelde) rechtlijnige bewegingen, slingerbewegingen en ronddraaiende bewegingen. Combinaties van bewegingen en denkexperimenten over het waarnemen van beweging.

In de profiellessen wordt verder geoefend in de kwantitatieve aspecten van de stof waarbij de nadruk ligt op de elektriciteit en de kinematica.

SCHEIKUNDE
Over het voorkomen en gebruik van de belangrijkste elementen en hun verbindingen wordt veel verteld. Zouten, zuren en basen met al hun "ontstaan en vergaan"-reacties: scheikunde van de "dode" natuur. Vooral het causale denken wordt geoefend aan de hand van de vele proeven en daaruit afgeleide chemische wetmatigheden.

In de profiellessen: symbolen, reactievergelijkingen van eenvoudige (verbrandings-)reacties, het atoommodel wordt eenvoudig belicht en de beginselen van het chemisch rekenen.

BIOLOGIE
Innerlijke samenhang van de ademhaling, de stofwisseling en de uitscheidingsprocessen: o.a. longen, spijsverteringsstelsel, lever en nieren. Met aandacht voor de anatomie ervan, de overkoepelende en verbindende functies én voor de fijnzinnige wijze waarop de menselijke gevoelens (emoties) een centrale rol spelen in het functioneren van deze processen.

In de profiellessen wordt in diverse werkvormen geoefend met genetica, gezondheid en ziekte, hersenen, bewustzijn en bewustzijnsstoornissen.

LICHAMELIJKE OPVOEDING
In de lessen lichamelijke opvoeding worden bewegingsvaardigheden uit de domeinen ‘sport en spel’, ‘atletiek’ (met name oude Griekse vijfkamp), ‘turnen’ en ‘zelfverdediging’ ontwikkeld. Tijdens deze lessen komen ook de leerstofdomeinen ‘bewegen en regelen, ‘bewegen en gezondheid’ en ‘bewegen en maatschappij’ aan bod.

Het accent ligt op het “voelen”. Er worden bewegingsvormen aangebieden waarin centrifugale en centripetale krachten ervaren en beheerst worden en het sociale element een belangrijke plaats krijgt.

EURITMIE
Centraal staat het omgaan met de dynamiek in de beweging: piano/forte, snel/langzaam. In muziek en taal wordt de dynamische vormbeweging geoefend en expressief gemaakt. In elk werk wordt er naar gestreefd om vormbeweging en gebaar tot een geheel door te vormen, het doel is de kunstzinnige afwerking en de uitvoering op een podium. In de muziek wordt de harmonie belangrijk: er wordt gezocht naar expressie in vorm en gebaar voor dissonanten in de muziek en kadens. Het gebaar wordt zo geoefend dat het een ruimtelijke kwaliteit krijgt, geplaatst in de omgeving en niet gestaltegebonden (euritmisch-technisch genoemd: de sluierkwaliteit).

MUZIEK - Negende – twaalfde klas
Vocale muziek wordt beoefend in klassenverband en in het bovenbouwkoor. Ook wordt een aantal grote vierstemmige koorwerken ingestudeerd en in het openbaar uitgevoerd, waaronder de Requiems van Mozart en Fauré, en de Petit Messe Solennelle van Rossini. Daarnaast liederen, bijvoorbeeld in verband met advent en andere jaarfeesten.

TONEEL
Onder leiding van een regisseur wordt gedurende 2 à 3 maanden een volwaardig avondvullend toneelstuk ingestudeerd en opgevoerd. Ook aan de decors, kleding en bekendmaking wordt door de leerlingen veel zorg en tijd besteed.

BEELDENDE EN AMBACHTELIJKE VAKKEN 

HANDENARBEID (houtbewerken)
In een doorlopende leerlijn vanaf de vijfde klas staat het ontdekken en het leren gebruiken van de materialen hout, klei en steen met het juiste gereedschap centraal. Met de groeiende beheersing van de verschillende technieken kan steeds meer een eigen stempel en visie op de uiteindelijke vorm gedrukt worden. Vanaf de achtste klas gaat het vak zich splitsen in houtbewerken, metaalbewerken en boetseren (zie hieronder). De werkstukken, gebruiksvoorwerpen en speelgoed, liggen dichtbij de belevingswereld van de leerlingen.

Een eerste stap naar het meubelmaken, waarbij met een moeilijkere houtverbinding, meerdere losse delen hout tot een geheel moeten worden gemaakt. In de afwerking kan eigen expressie gezocht worden.

HANDENARBEID (metaalbewerken)
Naast een uitgebreide uitleg over de diverse metalen wordt er met een aantal daarvan praktisch gewerkt.

In deze klas wordt met een samenstelling van materialen gewerkt, waarbij metaal een verplicht onderdeel is. Aan de hand van een door de leerling ontworpen product wordt het werkstuk gemaakt met behulp van een werktekening. Afhankelijk van het ontwerp worden hout, kunststof of ook technische toepassingen gebruikt, zoals schakelaars en scharnieren.

PLASTISCH-RUIMTELIJK VORMEN (beeldhouwen, keramiek, boetseren)Een verder gevoel voor vorm en schoonheid wordt ontwikkeld. Voor het eerst wordt in steen gewerkt: schaalvormen in albast.

TEKENEN / SCHILDEREN
In een doorlopende leerlijn vanuit de onderbouw wordt het beeldend vermogen verder ontwikkeld en uitgebreid.

In het tekenen wordt de waarneming ontwikkeld aan het licht, donker en alle nuanceringen hiertussen. Bovendien worden vaardigheden ontwikkeld en wordt er gewerkt aan vorm en compositie, waardoor het “innerlijke vormrepertoire” wordt uitgebreid ten behoeve van het werken vanuit de fantasie.

Bij het schilderen gaat het om waarnemen, kleurkwaliteiten ontdekken en nuanceren van kleur. Het uitdrukken en weergeven van de buitenwereld is even belangrijk als het weergeven van de binnenwereld. Dat gebeurt in diverse technieken, afhankelijk van de leeftijd.

Bij het tekenen wordt het uiterlijk waarneembare vervangen door karakteristieke kenmerken van het object uit de plantenwereld of van het menselijk model. Met behulp van perspectieftechnieken wordt geprobeerd in houtskool het eigen schoolgebouw te karakteriseren. Zelfstandig wordt vervolgens een schilderij gecomponeerd van sommige van deze zwartwitschetsen.

GRAFIEK - Negende en tiende klas
Binnen het vak grafische technieken wordt kennis gemaakt met diverse druktechnieken om reproduceerbare producten te maken. Daarbij ligt de nadruk op vereenvoudigde, strakke vormen, sterke contrasten en vlakvullende composities. 'Grafisch' zien is nodig om sjabloondruk, en stempeldruk te kunnen maken. In de tiende klas wordt dit uitgebreid met linoleumsnedes en meer gecompliceerde composities, met overlappingen en afsnijdingen. Er wordt gewerkt in beperkte kleurstellingen of zwart-wit, bijvoorbeeld met oostindische inkt en collage. Een leerdoel is het vinden van de balans tussen het ambachtelijke enerzijds en het beeldend-expressieve anderzijds.

TEXTIELE WERKVORMEN
In een doorlopende leerlijn vanaf de basisschool worden de basisvaardigheden aangebracht en verdiept. Breien, borduren, naaien en machinenaaien behoorden tot de gebruikte technieken. Vooral natuurproducten maar soms ook kunststoffen worden verwerkt. Geleidelijk speelt ook het planmatig opbouwen en achteraf weergeven van het werkproces een belangrijke rol, en het ontwikkelen van gevoel voor vorm- en kleur. In het ontstaansproces van eigen en andermans werk worden het voorstellingsvermogen en gevoel voor schoonheid en harmonie verder ontwikkeld. Er treedt een accentverschuiving op van ambachtelijke naar een meer kunstzinnige vorming.

Een kledingstuk en een driedimensionaal werkstuk (bijvoorbeeld een kussensloop, tas of een lampenkap) worden zelfstandig ontworpen in elkaar gezet met de naaimachine, waarbij diverse versiertechnieken worden gebruikt.