Podiumkunst-
en bewegingsvakken
Toneel
Tweemaal in de tijd tussen negende en twaalfde klas staat gedurende tien weken
toneel op het rooster. De docent kiest voor de klas een stuk uit of de klas
komt met een goed idee. Het werken aan een toneelstuk vraagt de betrokkenheid
van de hele klas. Samen verdiepen de leerlingen en de regisseur zich in de
karakters en de vormgeving van het stuk. Bij de rolverdeling gaat het niet
alleen om het resultaat op de planken, maar ook om het pedagogisch effect.
Alleen door samenwerking kan een toneelstuk slagen. De spelers moeten elkaar
steunen en opvangen. Een periode toneel heeft grote waarde voor het sociale
proces in een klas.
Ook de praktische voorbereiding - het verzorgen van decors, attributen, kleding,
affiches en programma’s - is in handen van de klas (en hun ouders). Het
resultaat wordt opgevoerd voor belangstellenden. Gewoonlijk worden van elk toneelstuk
twee voorstellingen gegeven (vrijdag en zaterdag). Voor het eerste stuk kiest
men vaak een komedie als ‘De Midzomernachtsdroom’ van Shakespeare.
Voor het tweede stuk worden vaak musicals gekozen, zoals ‘The West Side
Story’.
TONEEL
Achtste klas
Basisvaardigheden van toneelspel worden geoefend in ‘tableaux-vivants’,
korte teksten, veel improvisatie, woord-associatie-oefeningen, oefeningen
voor houding, gebaar en spraak. Met de klas en de klassenmentor wordt een
stuk in de grote zaal opgevoerd.
Tiende klas
Onder leiding van een regisseur wordt gedurende 2 à 3 maanden een
volwaardig avondvullend toneelstuk ingestudeerd en opgevoerd. Ook aan de
decors, kleding en bekendmaking wordt door de leerlingen veel zorg en tijd
besteed.
Elfde en twaalfde klas
De opgedane vermogens worden uitdiept door grotere uitdagingen, en de eis
van conceptueel denken: bewust omgaan met de eenheid van rol, enscenering,
verbeelding en de inhoud van het stuk. Onder de noemer CKV3-drama is toneel
een praktisch examenonderdeel.
EURITMIE
Euritmie is een bewegingskunst die uit de antroposofie is ontstaan. Er is
woord-euritmie en tooneuritmie. De euritmie op school is bedoeld om harmonie
te bewerkstelligen tussen lichaam en ziel en tussen de leerlingen onderling.
Zij leren allengs hun lichaam en hun bewegingen gebruiken als middel tot
zelfexpressie, op gesproken taal, 'life' gespeelde muziek of in stilte.
In taal worden ritme, dynamiek en inhoud als uitgangspunt genomen voor de
beweging in de choreografie, waarbij ook de klank en inhoud worden uitgedrukt
door gebaar. Aan de hand van muziek worden ritme, maat en melodie als gestalte
en als ruimte-element beoefend, evenals het beluisteren en ontdekken van
meerstemmigheid en het bewegen van de stemmen. In stilte wordt vooral gewerkt
aan concentratie (individueel) en overgave (groep),door het leren luisteren
en kijken naar bewegingsritmen.
Er wordt gewerkt aan de eigen basisvaardigheden, improvisatie en aan een
eigen choreografie. In de klassen 8 t/m 11 hebben de leerlingen 2 uur euritmie
per week. In de toneelproductie van de 11e of 12e klas is vaak het element
euritmie of dans opgenomen, en soms wordt een apart euritmie-project gerealiseerd.
Zo werd vorig schooljaar <Romeo en Julia> op muziek van Prokofiev vorm
gegeven en ook enkele malen buiten de school opgevoerd, o.a. in Zwitserland.
In het verleden werden euritmieprojecten o.a. in Danstheater in Den Haag,
in Rusland en in Frankrijk gepresenteerd.
Zevende klas
Er wordt gewerkt aan de eigen gestalte door de zeven basisoefeningen met staven in een muzikale compositie; aan tegenritmes met handen en voeten; aan mineur en majeur alsmede intervallen in de muziek. Klassikaal: geometrische figuren in correcte verhoudingen. Zelf worden choreografieën gebaseerd op toonhoogte ontworpen voor eenvoudige melodische stukken en gedichten worden vormgegeven door klankgebaren en zielenuitdrukkingen.
Achtste klas
Met de staafoefeningen zelfstandig groepscomposities ontwerpen en uitvoeren.
Individueel en in groep kleine gedichten uitwerken naar vorm en woordgebaar.
Ook in het muzikale element wordt de zelfstandigheid verworven om eenvoudige
muziekstukken in vorm en gebaar als groepscompositie uit te voeren. Waarnemingsopdrachten
worden verstrekt en elkanders werk wordt naar techniek en elementen besproken.
Negende klas
De ruimtelijke richtingen – frontaal, sagittaal en horizontaal – worden
in het driedelig lopen in de gestalte geoefend en zichtbaar gemaakt. In het
muzikale gedeelte worden maatsoorten en –wisselingen herkend en correct
gelopen. Het toongebaar wordt uitgebreid met de mineur- en majeurgebaren
en in korte muziekstukken geoefend. Tweestemmige muziekstukken worden choreografisch
en expressief ingestudeerd. In de geometrie staat de driehoeksverschuiving
centraal: als groepsvorm uit te voeren en zelfstandig te tekenen.
Tiende klas
Centraal staat het omgaan met de dynamiek in de beweging: piano/forte, snel/langzaam.
In muziek en taal wordt de dynamische vormbeweging geoefend en expressief
gemaakt. In elk werk wordt er naar gestreefd om vormbeweging en gebaar
tot een geheel door te vormen, het doel is de kunstzinnige afwerking en
de uitvoering op een podium. In de muziek wordt de harmonie belangrijk:
er wordt gezocht naar expressie in vorm en gebaar voor dissonanten in de
muziek en kadens. Het gebaar wordt zo geoefend dat het een ruimtelijke
kwaliteit krijgt, geplaatst in de omgeving en niet gestaltegebonden (euritmisch-technisch
genoemd: de sluierkwaliteit).
Elfde klas
Nieuw in de elfde klas is het werken met planeten en hun kwaliteiten. De
gebaren worden een extra dimensie in het vormgeven van teksten. De leerlingen
kunnen grotere muziekstukken (sonates) en teksten (verhalen) instuderen
voor een uitvoering. Daarbij ontwierpen zij choreografieën en gebaren.
Er wordt gestreefd naar het verwerven van zelfstandigheid bij het instuderen
en ontwerpen.
Twaalfde klas
Verschillende muziek- en poëziestijlen worden behandeld in de vormbeweging
en het gebaar. In een schriftelijk werkstuk presenteerden de leerlingen hun
onderzoek naar de werkgebieden van de euritmie in de maatschappij en de euritmie
in relatie tot de dans, het theater en andere kunstuitingen. De euritmische
vaardigheden die door de schooltijd heen verworven zijn, kunnen nu zelfstandig
en creatief ingezet worden om een programma in te studeren en op het podium
te zetten.
MUZIEK
Zevende en achtste klas
In een koor worden wekelijks liedjes uit musicals en simpele arrangementen
van mooie liederen gezongen, naast het gebruikelijke repertoire door het
jaar heen (advent, Pasen, etc.) Bij de uitvoering ervan mogen verschillende
leerlingen solo zingen.
Daarnaast wordt kennis gemaakt met beroemde componisten en hun levensverhalen
en met verschillende stijlen en genres uit de muziekgeschiedenis (Barok,
Klassiek, Romantiek en 20e eeuw).
Negende – twaalfde klas
Vocale muziek wordt beoefend
in klassenverband en in het bovenbouwkoor. Ook wordt een aantal grote vierstemmige
koorwerken ingestudeerd en in het openbaar uitgevoerd, waaronder de Requiems
van Mozart en Fauré, en
de Petit Messe Solennelle van Rossini. Daarnaast liederen, bijvoorbeeld in
verband met advent en andere jaarfeesten.
LICHAMELIJKE OPVOEDING
In de lessen lichamelijke opvoeding worden bewegingsvaardigheden uit de domeinen ‘sport en spel’, ‘atletiek’ (met name oude Griekse vijfkamp), ‘turnen’ en ‘zelfverdediging’ ontwikkeld. Tijdens deze lessen komen ook de leerstofdomeinen ‘bewegen en regelen, ‘bewegen en gezondheid’ en ‘bewegen en maatschappij’ aan bod.
Negende klas
Het accent ligt op het “willen”. Er worden bewegingsvormen aangebieden
waarin zwaartekracht ervaren en beheerst wordt, competitie-elementen een
rol speelden, fysieke en mentale grenzen beleefd worden en tactische elementen
en sportieve mentaliteit geleerd worden.
Tiende klas
Het accent ligt op het “voelen”. Er worden bewegingsvormen aangebieden
waarin centrifugale en centripetale krachten ervaren en beheerst worden en
het sociale element een belangrijke plaats krijgt.
Elfde klas
Het accent ligt op het “denken”. Er worden bewegingsvormen aangebieden
waarin doelgerichte bewegingen centraal staan. Verdieping en verbreding van
de stof, de leerlingen vervulden zelf leidinggevende rollen en kunnen het
bewegingsarrangement zelf ontwerpen, inrichten, op gang brengen en waar nodig
aanpassen.
Twaalfde klas
De motieven “willen, voelen en denken” vormden een geheel. Verdere
verdieping en verbreding. Leiding en vorm geven aan het bewegingsarrangement,
ook aan andere leeftijden.