Besteding
van de ouderbijdrage
Het vrijeschoolonderwijs kenmerkt zich door de toepassing van de Rudolf Steiner pedagogie. Hierover kunt u elders op de website meer lezen. De toepassing van deze pedagogische ideeën brengt met zich mee dat er veel extra's wordt aangeboden aan de leerlingen. Om dit te bekostigen wordt van de ouders een inkomensafhankelijke bijdrage gevraagd. In de figuur op de volgende pagina wordt schematisch weergegeven waar de ouderbijdrage aan besteed wordt. De binnenste ring bestaat uit het basisaanbod dat door de Nederlandse overheid middels strakke regels wordt voorgeschreven en gefinancierd. De segmenten geven aan voor welke doelen deze overheidsgelden gebruikt dienen te worden. De vrijheden die er binnen deze regels bestaan worden door de vrijeschool zoveel mogelijk benut om het onderwijs op onze school zijn specifieke karakter te geven. De regels en het geld van de overheid zijn echter niet voldoende om het vrijeschoolonderwijs aan de leerlingen te kunnen geven zoals het lerarencollege en de ouders die voor deze vorm van onderwijs kiezen dat vanuit de vrijeschoolpedagogie graag zouden zien. De buitenste ring geeft per segment aan wat De Vrije School met de ouderbijdrage aan extra activiteiten doet in het specifieke segment om het standaard aanbod dat de overheid financiert te verrijken.
Hieronder volgt in 6 onderdelen op de extra activiteiten die met de ouderbijdrage worden bekostigd.
1. Praktische/ambachtelijke vakken
De praktisch-ambachtelijke vakken, zoals handenarbeid, handwerken/textiel,
hout en metaalbewerken, zijn er niet zo maar 'voor de aardigheid'. Deze vakken
vormen (samen met de kunstvakken, zie 2) een wezenlijk deel van het vrijeschoolonderwijs.
Het 'leren met je handen' geeft de basis voor een gezonde morele ontwikkeling
en ondersteunt ook het 'werken met het hoofd'. De praktische vakken worden
bij voorkeur in kleinere groepen gegeven om de leerlingen beter te kunnen
laten begeleiden door de vakleerkrachten. Elke leerling krijgt zo de benodigde
aandacht van de leraar om technieken, gereedschapgebruik en aanpak te kunnen
leren. Op de vrijeschool worden dus veel meer uren aan praktische vakken besteed
dan op reguliere scholen. Hiervoor is extra formatie nodig die niet door het
rijk wordt bekostigd.
2. Kunstvakken
Goed onderwijs spreekt niet alleen het denken aan, maar ook het voelen en
willen. Onder andere om deze reden nemen de muzische vakken een belangrijke
plaats in het lesprogramma in. De euritmie is een bewegingskunst die is ontwikkeld
door Rudolf Steiner. Bij euritmie wordt getracht de klank weer te geven in
beweging. Van belang daarbij is bovendien dat de eigen beweging in harmonie
is met de beweging van de ander.
Een bijzondere plaats in de school wordt ingenomen door de muzieklessen en
de koorzanguren. In de lage klassen van de onderbouw wordt lierles en fluitles
gegeven, later komen meer instrumenten aan bod. Vanaf de vijfde klas zingen
de kinderen ook in een koor. In de bovenbouw worden er klassikaal muzieklessen
gegeven en zingen alle leerlingen eveneens wekelijks in het koor. Ze studeren
een beroemd werk uit de muziekgeschiedenis in en voeren dat aan het eind van
het schooljaar uit, eventueel met solisten en orkest. Daarnaast neemt de muziek
een belangrijke plaats in bij de viering van de jaarfeesten.
3. Materialen
Er wordt, ook in de bovenbouw, nog steeds weinig met boeken gewerkt, maar
des te meer met schriften waarin de leerlingen de lesstof zelf moeten opschrijven,
bewerken, illustreren en verwerken. Dit zijn speciale schriften en tekenmaterialen
die door de school worden verstrekt. Bij het vieren van de jaarfeesten zoals
dat op onze school gebruikelijk is, zijn ook extra materialen nodig. Ook toneelkleding
en decors, materiaal om de motoriek te ontwikkelen etc., worden (deels) uit
de ouderbijdragen gefinancierd.
4. Vaklessen
Vanaf het begin van de eerste klas hebben alle kinderen reeds te maken met
vaklessen die door specifieke leerkrachten gegeven dienen te worden. We denken
hierbij aan de vreemde talen, lier- en fluitlessen, euritmielessen (leerkracht
+ pianist), gymnastiek (vanaf klas 3), handwerken, handenarbeid en koorzang
(vanaf klas 5). Een aantal van deze lessen moet vanwege de groepsgrootte gesplitst
worden gegeven waardoor het aantal lesuren voor dit vak verdubbelt. Om een
idee te geven; handwerken aan alle kinderen van klas 1 t/m 6 (twee stromen)
in gesplitste groepen (2x2 uur) betekent; 6x2x4=48u. Hiervan worden geen uren
vergoed, alleen voor handenarbeid.
5. Huisvesting
In de gehele school van kleuters tot examenklas en Tobiasschool worden vakken
gegeven die een speciaal ingericht lokaal of zaal nodig hebben. Concreet gaat
het om toneel, euritmie, handenarbeid en handwerken, therapieruimtes, keuken
(Tobiasschool), steenhouwen, meubelmaken, textiel, schilderen/tekenen en muziek.
Het onderhoud, de inventaris en het gebruik van deze faciliteiten overstijgt
de rijksvergoeding zeer ruim.
Een ander aspect van huisvesting zijn de gebouwen en de bouwmaterialen op
zichzelf. Zowel in de architectuur binnen en buiten, als in de materialen
en aankleding wordt getracht te werken vanuit een gezondmakend principe voor
lichaam, ziel en geest. Hoe gek dat in dit verband ook klinkt: dat kost ook
veel extra geld.
6. Zorg
In de visie van de vrijeschoolpedagogie is leren niet alleen een psychische
aangelegenheid, maar speelt de lichamelijke constitutie met zijn eenzijdigheden
daarin ook een grote rol. Daarom bestaat het zorgaanbod op de vrijeschool
uit remediërende hulp (Remedial teaching, spelbegeleiding) en therapie
(euritmietherapie, spraaktherapie en schoolarts).
(NB. Het gaat hier om therapie als verlengstuk van de pedagogie. Voor therapie
op medische indicatie wordt verwezen naar huisarts e.d.)
Een groot deel van dit zorgaanbod wordt niet door de overheid gefinancierd.
Tot op zekere hoogte wil de school deze extra zorg bieden, gefinancierd vanuit
de ouderbijdrage.
de examenklas
Het mag duidelijk zijn dat de ouderbijdrage een belangrijke bijdrage levert
aan het in stand houden van de identiteit van onze school. Hiervoor is elk
jaar een totaal bedrag nodig dat wordt samengesteld uit alle individuele bijdragen
van ouders voor de leerlingen die bij ons op school in de onder-, midden-,
en bovenbouw les krijgen. Dit totaalbedrag is het bedrag dat in het betreffende
jaar beschikbaar is voor alle bovengenoemde activiteiten in alle 15 jaren
van de onderwijsstroom, inclusief de kleuterklassen en de examenklas. Het
is dus niet zo dat men ouderbijdrage betaalt voor de activiteiten van een
leerling in dat specifieke jaar. Met name moet het examenjaar genoemd worden,
waarvan nogal eens het beeld ontstaat dat men minder zou genieten van de extra's
van de vrijeschool dan in andere jaren.
De examenklas is noch pedagogisch noch organisatorisch los te zien van de
rest van de school. Het hoge slagingspercentage heeft bijvoorbeeld ook te
maken met de aandacht en zorg die besteed wordt aan deze leerlingen en de
relatief kleine groepen waarin lesgegeven wordt. Zonder de ouderbijdragen
uit de examenklas is deze formule ondenkbaar.
De hoogte van de ouderbijdrage en de verantwoording over de bestedingen
De hoogte van de ouderbijdrage wordt aan de ene kant bepaald door de behoefte
aan financiële middelen en aan de andere kant door draagkracht van de
ouders en draagvlak bij de ouders. Door de ouderbijdrage inkomensafhankelijk
te maken en afhankelijk van het aantal leerlingen uit een gezin op school
te maken is getracht de draagkracht van ouders op een zo eerlijk mogelijke
wijze te verwerken in de individueel op te brengen bijdrage.
Een belangrijke overweging voor ouders bij het vormen van een beeld bij de
hoogte van de ouderbijdrage is dat voor leerlingen op de vrijeschool de uitgaven
voor benodigde boeken vaak honderden euro’s lager zijn dan in het reguliere
onderwijs. Gelukkig helpt de overheid een handje mee door het schoolgeld af
te schaffen, dat scheelt ouders van kinderen van 16 jaar en ouder €900
per kind per jaar.
De bovenstaande regelingen en afspraken zijn weliswaar van kracht, maar wij
willen er aan toevoegen dat het principe van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage
op dit moment ter discussie staat. Dit schooljaar wordt er op de algemene
ledenvergaderingen van januari en juni 2006 aandacht besteed aan deze discussie.
De besteding van de ouderbijdrage wordt van jaar tot jaar besloten door het
Bestuur, op voordracht van de beleidsvergadering en de dagelijkse leiding.
Een en ander is afhankelijk van de (geringe) ruimte die er is de overheidsgelden
aan te wenden voor de typische Vrijeschool activiteiten. Dit kan door veranderde
wetgeving van jaar tot jaar verschillen. Tijdens de algemene ledenvergadering
wordt een toelichting gegeven over de besteding van de ouderbijdrage in het
voorafgaande jaar.
Wij zien de ouderbijdragen niet als "de prijs voor het product vrijeschool",
zoals er tegenwoordig soms trendmatig over wordt gesproken; wij zien de ouderbijdrage
als de bevestiging van de bij de ouders en leerlingen levende vraag naar vrijeschoolpedagogie.
Ouderbijdragen vormen de garantie voor de "vrijheid" van ons onderwijs.
Wij gaan ervan uit dat elke ouder die voor zijn/haar kind heeft gekozen voor
het vrijeschoolonderwijs, zich medeverantwoordelijk voelt voor de verwezenlijking
van het leerplan en bereid is deze verantwoordelijkheid financieel tot uitdrukking
te brengen in de jaarlijkse ouderbijdrage. Na de inschrijving van uw kind
heeft u immers deze intentie ondertekend.